Hij is onderhand eenennegentig maar doet het nog prima.
Nog steeds wordt hij elke ochtend naar zijn moestuin gebracht. In zijn huisje wonen kippen. Het hondje is al dood. Maar hij nog niet.
Ik schreef al eerder over hem. Hoe ik op mijn wandelingen soms even bij hem ga buurten en dan s’ morgens om acht uur met hem aan de koffie met sambucca zit. De koffiekopjes zijn zo smerig dat de sambucca wel moet. Ter ontsmetting. Op die momenten noemt hij mij “zijn dochter.” Wat natuurlijk een heel groot compliment is.
Soms krijg ik twee eitjes mee. Voor thuis.
Vandaag wandelen we met een logee langs zijn plek. Ik zie hem in zijn moestuin druiventakken knippen.
“Ik ga even gedag zeggen, lopen jullie maar door.”
Ik moet hem roepen want hij hoort niet zo best meer. Maar als ik vlak bij hem ben draait hij zich om. Blij verrast krijg ik een dikke knuffel.
Hij houdt me wel erg lang vast.
Als ik me liefdevol loswrik gebeurt het.
Zijn ogen krijgen een andere blik. Ze glinsteren. En dan opeens, in één beweging, sneller dan je van iemand van zijn leeftijd zou verwachten, trekt hij met zijn ene hand mijn blouse open en met zijn andere hand grijpt hij mijn borst.
“Nee, nee, nee!” roep ik verbaasd. Ik ben boos. Maar ik moet ook lachen. De oude snoeperd!
Ik laat hem achter bij zijn druiven en ga achter het wandelgezelschap aan.
Ik hoef geen slachtofferhulp. Gooi het hele voorval op “verlies van decorum”. Maar koffiedrinken doen we niet meer.
En we gaan weer verder. Dit was wel weer een belevenis van onderweg.
*Iedereen beleeft zo’n situatie anders. Dit is hoe ík het heb ervaren: vooral als een bizarre ontmoeting waar ik boos én verbaasd om was, en waar ik achteraf erg om kon lachen.