Ik ruim een keukenla op waarin rommeltjes liggen te wachten om te worden weggegooid of die daar tijdelijk zijn neergemikt.
Ik vind een kam en loop ermee naar de badkamer. Daar vind ik op de wastafel een handdoek die in de was moet. Ik loop met de handdoek naar de wasmand en pak de mand op en loop naar de wasmachine.
Ik wil de machine aanzetten maar de het wasmiddel is op. Ik loop naar de schuur om wasmiddel te halen en neem en passant een paar laarzen mee die naast de deur staan.
In de schuur heeft een kat de zak met brokjes opengebeten dus ik pak het stoffer en blik. Ik heb stevige tape nodig om de zak dicht te plakken, Dus loop ik met wasmiddel weer naar de keuken. Ik doe wasmiddel in de machine en wil de tape uit de keukenla pakken.
Hé! Ik ben weer bij het begin.